* You are viewing the archive for the ‘Tips en goede raad’ Category



Eiwit kloppen

Eiwit tot sneeuw kloppen

Het wit van een kippenei is grotendeels water en eigenlijk maar ogeveer 13 % eiwitten. Opgeklopt eiweit kan een schuimige massa worden die wel 7 tot 8 keer groter is dan zijn oorspronkelijke volume.
Doordat stijf geklopt eiwit uitzet bij verhitting (groter volume) wordt het vaak gebruikt om deeg te doen rijzen in de oven.

Eiwitten stijf kloppen is echter niet eenvoudig. Het belangrijkste is dat er geen spoor van vet mag aanwezig zijn.

*

Waarop moet je letten:

  • Gebruik altijd verse eieren!!!
  • Eigeel bevat veel vet.
  • Er mag daarom geen spatje eigeel in het eiwit zitten.
Als de dooier breekt, kun je het eiwit niet meer gebruiken om stijf te kloppen.
  • Gebruik 3 kommen als je meer dan 1 eiwit moet splitsen. Een kom voor eiwitten, een kom voor eigelen en een kom waarin je het eiwit verzamelt van het ei waar je op dat moment mee bezig bent.
  • Aan de eischaal hangt vaak ook wat vet. Dus zeker geen stukje eischaal bij het eiwit laten.
  • De kom waarin je het eiwit zal stijfkloppen kan vet bevatten. Maak ze dus grondig schoon.
  • Om 100 % zeker te zijn, kan je de binnenkant van de kom inwrijven met een halve citroen of met een keukenpapiertje gedrenkt in azijn.
  • Ook de garde en de mixer moeten absoluut vetvrij zijn.
  • Met een garde moet je heel veel geduld en ondervinding hebben om het eiwit stijf te kloppen.
  • Zet de mixer in de hoogste stand en klop tot je de kom kan omkeren zonder dat het eiwit er uit valt.
  • Gebruik geklopt eiwit zo snel mogelijk.

Groenten eten

Groenten leren eten

Groenten zijn een onmisbaar deel van je dieet en bevatten belangrijke voedingsstoffen zoals vezels, antioxidanten en vitamines. Sommigen hebben een afkeer voor groenten.  Meestal is deze afkeer aangeboren ofwel aangeleerd. Het is afhankelijk van persoon tot persoon. Sommigen haten (bepaalde) groenten door de manier waarop ze geserveerd werden in hun kindertijd, of omdat ze gedwongen werden ze te eten. Anderen hebben te gevoelige smaakpapillen zodat veel voeding te sterk smaakt. Een extra pluspunt is dat je zowel met rauwe als gekookte groenten een mooie schotelgarnituur kunt maken wat dan weer onze smaak positief kan beïnvloeden.

Daarom geef ik hier: tips om toch (meer) groenten te eten

Favorieten

Doe steeds wat groenten bij je favoriete gerechten.

Doe wat extra groenten bij uw spaghettisaus (of beter nog: maak ze vooral helemaal zelf van verse gepureerde tomaten), leg een laagje spinazie tussen lasagne, mix wat wortels door de puree enz… Ook omelet met (tomaat/champignons) of quesillada (broccoli) of een gegrild broodje met kaas en tomaat zijn gemakkelijk aan te vullen met groenten. 

Soep

Soep is de gemakkelijkste manier om  groenten binnen te krijgen. Maak soep zelf, dan bepaal je welke groenten er in kunnen. Koop je toch soep, let dan op het zoutgehalte. Doe eventueel bij deze soepen rauwe of bevroren groenten terwijl je ze aan de kook brengt…

Salades

Maak salades naar jouw eigen smaak met alle groenten die je graag lust. Gebruik ook eens spinazie, worteltjes, aubergine, broccoli, bloemkool, radijsjes of rode bieten.

Rauwe groenten

Rauwe groenten kunnen lekkerder zijn dan gekookt of gestoofd. Ze smaken zachter en de textuur is niet zo melig of glibberig. Rauwe groenten kunnen heerlijk zijn met enkele dipsausjes.

Groentensap

Net als fruitsap biedt ook groentesap is beperkte mate bijkomende vezels en voedingsstoffen. Je kan ze kopen of zelf maken naar jouw smaak.

Eet groenten met plezier

Gegrilde maiskolven, gevulde selderij/paprika/tomaat/courgette: het is een heel andere manier om groenten eten en je beleeft er plezier aan.

Gegrilde groenten

Bij een barbecue worden groenten vaak ‘vergeten’, maar je kan ze perfect grillen. bestrijk ze even met olijfolie of een zelfgemaakte marinade. Grote stukken kunnen zo op de grill, kleinere stukjes kan je best op een brochettestokje spiesen. 

De “geur” van sommige groenten?

Veel groenten met een sterke geur schrikken veel mensen af. We denken aan bloemkool, broccoli, maar ook aan spruitjes en savooikool. Het kan te wijten zijn aan je biologie dat je deze niet lust: sommige mensen worden immers geboren met een zeer sterk ontwikkelde smaakpapillen voor bitter.

Om deze groenten te eten, kook je ze best niet te lang. Wat zout of zuur toevoegen (balsamicoazijn, sojasaus of parmesan) verdoezelt de sterke smaak een beetje. Sommige groenten kunnen ook gecarameliseerd worden.

Leer groenten eten

Om groenten te (leren) eten, moet je ze een kans geven en niet na de eerste smaak al weer uitspuwen. Leer het onderscheid kennen per bereidingswijze (rauw, gekookt, gestoofd, in de wok of in een saus) en leer jezelf welke groenten je het meest lekker vind of welke groenten wat minder. Over het algemeen zijn lichtjes gekookte groenten het meest smaakvol: ze zijn nog knapperig, hebben een aangename kleur en zitten nog vol smaak.

Geen beloning

Goed gedrag wordt normaal gezien beloond, maar die vlieger gaat niet op voor voedsel. Het impliceert immers dat groenten ’slecht’ zouden zijn, omdat je met iets extra over de streep moet worden getrokken om ze toch te eten. Uiteindelijk wordt de beloning het doel, en worden de groenten nooit écht in het hart gesloten. Het is de bedoeling dat je leert aanvaarden dat groenten echt belangrijk zijn bij elke warme maaltijd.

Gratineer

Een supertruc: besprenkel de groenten met wat (vetarme) kaas en leg ze onder de grill. Ook een (lichte!) kaassaus bij de broccoli, bloemkool of witloof kan wonderen doen.

Wees realistisch

Weet dat niet iedereen alles lust. Het is geen reden om enkel tomaten en wortels te eten, en nooit iets anders te proberen, maar je kan jezelf best toestaan bepaalde groenten te vermijden indien echt niet anders kan.

Let op de portie

300 gram groenten (of drie porties) is het minimum per dag. Een tas verse soep geldt als één portie. Wees gul bij het opscheppen of bij het beleggen van een broodje: beter te veel dan te weinig.

Over Tarte-tatin

De gezusters Tatin baatten in het begin van de  20ste eeuw in het dorpje Lamotte-Beuvron, niet ver van Orléans, het hottelletje Terminus uit.

Daar maakten zij zelf een zeer bijzondere appeltaart die ondanks  haar eenvoud de wereld rond zou gaan. Vier ingrediënten volstonden om van de tarte-tatin één van de populairste taarten ooit te maken: appels, boter, suiker en deeg.

 

Het bijzondere aan deze taart is dat ze ‘op haar kop’ wordt gebakken en pas daarna voor het serveren wordt omgedraaid.

De taart wordt dus van boven naar onder opgebouwd in de pan of bakvorm en op die manier gebakken.

Daar blijft het echter niet bij: door de royale hoeveelheid boter en suiker die toegevoegd wordt aan de appeltjes ontstaat het bijzondere gekarameliseerde effect dat een echte tarte tatin zo uniek en zo lekker maakt.

Het nagerecht

 

Zelf heb ik liefst een tasje koffie of een ijsje als nagerecht. Alles hangt een beetje af van wat ik als hoofdgerecht heb gegeten.

Toch vind je bij mijn nagerechten natuurlijk enkele suggesties die iedereen zelf kan maken, eventueel in combinatie met een bolletje roomijs want daarvan ben ik echt een liefhebber.

 

 

 

 

Het hoofdgerecht

 

Het hoofdgerecht is het allerbelangrijkste deel van de maaltijd. Vele van mijn gerechten zijn eenpansgerechten. Daarom is het belangrijk dat ze bij het opdienen een garnering krijgen van één of meer stukjes groenten of fruit. Zo kun je allerlei dingen verzinnen om een bord mooite versieren.

Zorg er echter voor dat de garnering van een schotel altijd een beetje in functie is van het gerecht zelf.  

 

Tafelmanieren

Hoe zit je aan tafel? 
We zetten ons pas aan tafel als de gastvrouw of gastheer dat aangeeft. Het is niet gepast om tussendoor weer van tafel weg te gaan, dus zorg ervoor dat je bijvoorbeeld van tevoren naar de wc bent geweest.
Een dame zit niet onderuitgezakt aan tafel. Het is belangrijk dat je rechtop in je stoel zit en je handen altijd boven tafel houdt. Ze mogen wel op de tafel steunen, maar je ellebogen mogen nooit op de tafel leunen. 

Wat doe ik met het tafelgerei? 
Er ligt van alles op tafel en het is verleidelijk om overal even aan te zitten. Maar ga niet met het bestek schuiven of spelen, laat alles gewoon liggen waar het ligt.
Weet dat je het bestek altijd van buiten naar binnen gebruikt. Aan de buitenkant ligt dus dat wat je als eerste gebruikt. Het mes houd je in je rechterhand en de vork in je linkerhand. Er ligt altijd een servet bij je bord. Zodra je aan tafel zit, leg je dit op schoot. Niet mee wapperen, maar dubbelgevouwen op je schoot leggen. Na het diner leg je het servet half opgevouwen links naast je bord neer. 

Hoe houd je een wijnglas vast? 
Je ziet het vaak mensen doen, maar een glas houd je echt niet bij de kelk, maar wel bij de steel vast. Je wacht overigens met drinken tot er getoast is door de gastvrouw of de gastheer.
Wat doe je als er meerdere wijnglazen staan omdat er verschillende wijnen gedronken worden? De glazen staan, net zoals het bestek, van buiten naar binnen in de juiste volgorde opgesteld. Je begint dus met het buitenste glas. Water hoort in het grootste wijnglas of in een klein waterglas. 

Je gedrag tijdens het eten?
Begin pas met eten als de gastheer of gastvrouw dat aangeeft. Zeg nooit “Eet smakelijk” want dan kan het lijken alsof je verwacht dat dit niet het geval zal zijn. Speel niet met je eten en ga het ook niet prakken.
Als je zelf je bord opschept moet je altijd alles opeten. Als het voor je wordt opgediend, hoeft dat niet. Maar het is wel heel onbeleefd als je niet van alles even proeft. Je snijdt je eten per hapje, dus niet alles tegelijk en je eet rustig met kleine hapjes. 
Het broodje dat op je bordje ligt, snijd je niet met een mes. Je breekt er een stukje af met je handen en legt het op je broodbordje. Indien er een gezamenlijke botervloot op tafel staat, smeer je met het botermesje een beetje boter op je broodbordje. Met je eigen mes smeer je vervolgens een beetje op het stukje brood.

Tafeldekken

De borden en soepkom

Gebruik borden die passen bij de stijl van het gerecht en je interieur. Gebruik ook nooit borden die te rijkelijk gedecoreerd zijn. Het best kies je neutrale borden. Kleurrijke borden kunnen wel gebruikt worden om bepaalde gerechten beter te laten uitkomen ( bv. pasta ). Plaats de borden voor het hoofdgerecht, voorgerecht, soepkom,… ongeveer op 1 cm van de tafelrand. Het spreekt voor zich dat het grootste bord altijd onderaan ligt.

Het servet

De servetten dienen altijd 100% proper te zijn. U kunt sneeuwwitte of pastelkleurige servetten gebruiken. Het servet kan geplaatst worden op het bord indien je geen soep gaat serveren. Indien je toch soep gaat serveren, dan kan het servet aan de linkerzijde, naast de vorken geplaatst worden. Het servet kan ook in een glas geplaatst worden. Servetten moeten altijd mooi geplooid worden. Stoffen servetten worden aangeraden, ze tonen “chiquer”.

Het bestek

Afhankelijk van het aantal gangen, plaats je het bestek dat je het eerst gaat gebruiken aan de buitenkant. We werken dus altijd van buiten naar binnen, naar het bord toe. Plaats de soeplepel aan de rechterkant en volledig aan de buitenzijde. Aan de linkerzijde van het bord plaatsen we van buiten naar binnen toe: Vis-vork, Vork voor het hoofdgerecht, Saladevork. Aan de  rechterzijde van het bord plaatsen we van buiten naar binnen toe: Soeplepel, Vismes, Mes voor het hoofdgerecht. Aan de bovenzijde van het bord worden de dessertlepel en het cakevorkje geplaatst. De tanden van het vorkje wijzen naar rechts, het blad van het lepeltje wijst naar links.

De glazen

De glazen dienen altijd zeer proper te zijn. Gebruik ook nooit gekleurd glas. Wijnproevers zien graag de kleur van de wijn. De glazen ( wijnglazen, waterglazen, …) worden aan de rechterzijde, bovenaan het bord geplaatst. De glazen welke je het eerst gaat gebruiken, staan het dichtst. Eerst wordt het waterglas geplaatst, vervolgens het glas voor de witte wijn, en daarnaast het glas voor de rode wijn. De glazen kunnen ook in een driehoek geplaatst worden.

Boterbordje

Het boterbordje wordt aan de linkerzijde, bovenaan geplaatst. Op de bovenzijde wordt het botermesje geplaatst. De snijkant is gericht naar de gasten, de punt is gericht naar de linkerzijde.

Bloemstukje

Een klein bloemstukje kan de tafel mooi opfleuren. Gebruik echter nooit sterk geurende bloemen of planten en zorg ervoor dat ze het zicht tussen de verschillende gasten niet gaan hinderen. Het bloemstukje wordt het best in het midden van de tafel geplaatst, het moet zorgen voor evenwicht.

Keukentermen

02-04-2008

Aanbraden Het rondom dichtschroeien en bruin laten kleuren van vlees in boter of een andere vetstof (zie ook Dichtschroeien ).

Aanzetten Het verhitten en eventueel lichtbruin laten kleuren van ingrediënten in boter of olie.

Afblussen Het toevoegen van een vloeistof aan gebakken of gebraden voedsel of aan de in de pan achtergebleven aanbaksels (zie ook Deglaceren).

Afschuimen Met een schuimspaan het schuim van de oppervlakte scheppen, met name bij bouillons.

Al dente Hierbij is het voedsel wel gaar maar nog een beetje stevig (en valt dus niet slap in je mond uit elkaar als je een hap neemt). Deze keukenterm wordt vooral gebruikt bij de bereiding van groenten en pasta (deegwaren)..

Aspic Stevige, heldere gelei gemaakt van sterk ingekookte bouillon en – doorgaans – gelatine

Au bain marie Het verwarmen en/of gaar laten worden van ingrediënten in een kom of pan die op of in een pan (of braadslee) met heet of zachtjes kokend water wordt gezet. Wordt toegepast bij ingrediënten en mengsels die geen hoge temperaturen kunnen verdragen en bij rechtstreekse verhitting van oude schiften.

Bakken Dit woord heeft twee betekenissen: (1) het bereiden van gerechten in boter, olie of een andere vetstof in een open pan (dus zonder deksel) op een hoog vuur en (2) het gaar maken van deeg of beslag in de oven.

Barderen Het omwikkelen of bedekken met plakjes spek van mager vlees of (delen van) wild of gevogelte dat anders te veel zou uitdrogen

Beboteren Het met boter invetten van bakvormen, bakplaten, ovenschalen en/of aluminiumfolie.

Bedruipen Het tijdens het braden overgieten met eigen braadvocht van vlees, wild of gevogelte met behulp van een lepel of een speciaal bedruippipet.

Beetgaar Hierbij is het voedsel wel gaar maar nog een beetje stevig (en valt dus niet slap in je mond uit elkaar als je een hap neemt). Deze keukenterm wordt vooral gebruikt bij de bereiding van groenten en pasta (deegwaren).

Beurre manié Een mengsel van gelijke delen bloem en boter, gebruikt voor het binden van warme sausen.

Beurre noisette Hete boter welke lichtbruin begint te kleuren.

Binden Het dikker maken van een vloeistof om een gebonden saus of soep, vla of pudding te krijgen (zie ook Bindmiddel ).

Bindmiddel Een product dat wordt gebruikt om soepen, sauzen, vla’s en puddingen de gewenste dikte te geven. Er zijn zetmeelhoudende bindmiddelen (bloem, maïzena, aardappelmeel enz.) en niet-zetmeelhoudende bindmiddelen (eieren, gelatine, boter).

Blancheren Het in koud water aan de kook brengen of het korte tijd in ruim kokend water koken van voedsel en dit vervolgens afgieten en afspoelen met koud water. Blancheren wordt o.a. toegepast bij orgaanvlees en groenten. Ook het met kokend water overgieten van amandelen om het ontvliezen (= het afhalen van de vliesjes van de noot) te vergemakkelijken, wordt blancheren genoemd.

Blind bakken Dit heeft niets te maken met het wel of niet goed kunnen zien tijdens het koken! Met blind bakken bedoelt men het voor- of gaarbakken van taartbodems met behulp van een ‘blinde’ vulling. Met deze vulling wordt een ‘nep’-vulling bedoeld, meestal bestaande uit gedroogde peulvruchten of speciale gewichtjes. Hiermee wordt de taartbodem opgevuld als deze gebakken wordt. Blind bakken gebeurt alleen bij taarten waarvan de vulling anders eerder gaar zou zijn dan het deeg en bij taarten waarvan de vulling niet wordt meegebakken.

Blussen Met behulp van een vloeistof (water, azijn, wijn, consommé enz.) een saus maken door de jus los te maken die achterblijft in een pan na het braden, bakken of fruiten.

Bouillon Geurige vloeistof, gemaakt van vlees, gevogelte, wild, vis en/of groenten en kruiden.

Bouquet garni Kruidenboeketje; meestal bestaande uit een takje tijm, een paar takjes peterselie en een laurierblaadje, soms aangevuld met andere kruiden. De kruiden worden met een touwtje bij elkaar gebonden zodat je ze na de bereiding makkelijk weer kunt verwijderen. Een bouquet garni wordt o.a. gebruikt bij de bereiding van bouillons en stoofschotels.

Braden Het bereiden van vlees, wild of gevogelte in boter (of een andere vetstof) in een open of gedeeltelijk gesloten pan (dus met deksel), op een laag of matig hoog vuur of in een braadslee in de oven.

Bruineren Het bruin laten kleuren van voedsel in een droge pan (bijvoorbeeld zaden en geschaafde noten) of in een pan met boter of een andere vetstof (bijvoorbeeld bloem voor een bruine roux, uien enz.).

Brunoise In piepkleine blokjes gesneden groenten of andere ingrediënten.

Canneleren Het aanbrengen van een ribbelpatroon in (de schil van) groenten en vruchten.

Carpaccio Oorspronkelijk een koud voorgerecht uit de Italiaanse keuken van zeer dungesneden plakjes rauwd, dikke runderlende. Nu ook de aanduiding voor het in zeer dunne plakjes snijden van vis of vlees.

Clarifiëren Zie Klaren .

Consommé Een krachtige, door klaren verkregen glasheldere bouillon.

Coulis Een vloeibare puree van gekookte en gekruide groenten of schaal- en schelpdieren. Een coulis kan ook van vruchten gemaakt worden en wordt vaak gebruikt als sausje bij desserts.

Court-bouillon Een geurige, licht zurig gemaakte vloeistof die gemaakt is door groenten, kruiden en – soms – viskoppen en -graten zachtjes te laten trekken in water waaraan een scheutje wijn, azijn of citroensap wordt toegevoegd. Dit type bouillon wordt o.a. gebruikt voor de bereiding van vis en schaal- en schelpdieren.

Deglaceren Het tijdens het roeren oplossen van in de pan achtergebleven aanbaksels met een scheutje water, wijn of een andere vloeistof.

Dichtschroeien Het in hete boter of een andere vetstof verhitten van vlees, wild of gevogelte zodat het een mooi bruin korstje krijgt

Duxelles Mengsel van fijngehakte ui met champignons dat tijdens het roeren wordt verhit tot al het vocht eruit verdampt is. Duxelles wordt o.a. gebruikt als (onderdeel van) een farce.

Emulsie Een mengsel van twee vloeistoffen, bijvoorbeeld olie en azijn, die elkaar eigenlijk afstoten. Deze vloeistoffen kan je mengen door ze goed door elkaar te kloppen en eventueel een derde stof, bijvoorbeeld mosterd of eierdooier, toe te voegen.

Entrecote Lendenbiefstuk. Uitgesneden stuk klein rundvlees van eerste kwaliteit. Letterlijk betekent het ‘van tussen twee ribben’, maar meestal komt het uit het dikste deel van de uitgebeende dunne lende.

Farce Letterlijk betekent ‘farce’ een ‘ vulling’. Een farce wordt meestal gemaakt van gemalen of fijngehakt vlees of vis, vermengd met brood, ei en/of room of melk en kruiden. Een farce wordt niet alleen gebruikt voor vullingen van bijvoorbeeld gevogelte, wild, vis, groenten, hardgekookte eieren en ravioli, maar ook voor fijngehakte of -gemalen vlees- of vismengsels die worden gebruikt voor de bereiding van bijvoorbeeld patés.

Fileren Het in stukken verdelen van vis op zo’n manier dat de stukken volledig graatloos zijn. Maar ook het lossnijden van borstfilets van gevogelte en het ontbenen van bijvoorbeeld lams-, ree- of hazenrug wordt ‘fileren’ genoemd.

Filet Het woord ‘filet’ heeft meerdere betekenissen: (1) een graatloos stuk vis, (2) een van het karkas losgesneden borstvlees van gevogelte, (3) mager en mals of (4) een van de rug gesneden stuk vlees of wild.

Flamberen Het in brand steken van een vloeistof met een hoog alcoholgehalte (cognac, rum enz.), met de bedoeling de alcohol te laten vervliegen en alleen het aroma (= de geur) te behouden.

Fond Een ingekookte, wat dikkere (of: geconcentreerde) bouillon die wordt gebruikt als basis voor sauzen.

Frituren Het bereiden van voedsel in een ruime hoeveelheid olie of frituurvet.

Fruiten Het bakken van fijngesneden uien en/of groenten tot ze lichtbruin van kleur zijn.

Fumet Zie Visfumet .

Geklaarde boter Geklaarde boter is boter waarvan het schuim en alle onreinheden zijn verwijderd. Smelt de boter in een pannetje, schep het schuim weg met een lepel en giet de boter voorzichtig over in een kom zodat alleen het bezinksel in de pan achterblijft. Giet het bezinksel weg.

Glace Een stroperig aftreksel van uit vlees, wild, gevogelte of vis verkregen ingekookte bouillon.

Glaceren Het van een glanzend laagje voorzien van bepaalde gerechten, bijvoorbeeld groenten en gebak.

Gratineren Het onder de grill of in de oven mooi bruin laten kleuren van zoete of hartige gerechten. Het bruine kleurtje krijg je door het gerecht (voordat je het in de oven of onder de grill zet) te bestrooien met paneermeel of broodkruim. Voor hartige gerechten kan je hier ook geraspte kaas voor gebruiken.

Grilleren Het bereiden van voedsel in een grillapparaat, op een gietijzeren grillplaat of op een steengrill. Zie ook Roosteren .

Inkoken Het verhitten van een vloeistof in een open pan (dus zonder deksel), waardoor (een deel van) het vocht verdampt en de hoeveelheid minder wordt. Hierdoor wodt de smaak ook sterker of geconcentreerder. Inkoken wordt o.a. toegepast bij de bereiding van fonds, glaces en sauzen.

Invetten Het met boter of een andere vetstof insmeren van bakvormen, bakplaten, ovenschalen en/of folie om te voorkomen dat het deeg of voedsel eraan vastplakt.

IJswater Een bak water met ijsblokjes waarin groenten vlak na het koken in worden gedompeld en gekoeld opdat ze hun mooie kleur zouden behouden.

Julienne In luciferdunne staafjes of sliertjes gesneden groenten of andere ingrediënten.

Karameliseren Het bruinkleuren van suiker of een suikerstroopje door de suiker te verhitten.

Klaren Dit woord heeft twee betekenissen: 1: het helder maken van bouillons en 2: het verwijderen van de eiwitbestanddelen uit boter.

Koken Het bereiden van voedsel in water of een andere vloeistof bij een temperatuur van 100 °C.

Konfijten Dit woord heeft twee betekenissen: (1) het houdbaar maken van producten (bijvoorbeeld vruchten, wortels enz.) door ze langdurig te koken in een suikerstroopje en daarna te laten drogen en (2) het conserveren (= bereiden zodat het lang bewaard kan blijven) van gevogelte of vlees door het langdurig te laten sudderen in een grote hoeveelheid (ganzen)vet.

Kruidentuiltje of ‘bouquet garni’ Bosje geurige kruiden om soepen, sauzen en vleesgerechten te aromatiseren tijdens de bereiding. Meestal bestaat het uit  2 tot 3 takjes peterselie, 1 takje tijm en 1 tot 2 blaadjes laurier die samen zijn gebonden of in een speciaal zakje zijn gedaan.

Larderen Het met een speciale naald doorrijgen (= er doorheen halen) van reepjes vers vet spek in vlees of wild. Larderen werd vroeger veel toegepast bij de bereiding van grote stukken mals vlees die de neiging hadden snel uit te drogen.

Liaison Een mengsel van eierdooiers en room of melk dat wordt gebruikt voor het binden van soepen en sauzen en als vulling voor quiches en sommige zoete taarten.

LobbigHet niet helemaal stijf laten worden van een vloeibaar mengsel of het niet helemaal stijfkloppen van slagroom

Macereren Het in een geurige vloeistof leggen van verse of gedroogde vruchten of ander voedsel, zodat het de smaak van die vloeistof opneemt.

Marineren Het in een mengsel van (zure) vloeistoffen en kruiden leggen van voedsel om het vlees (bindweefsel) zachter te maken en/of de smaak van het voedsel te verhogen.

Mirepoix Mengsel van fijngesneden groenten en – soms - spek dat wordt gebruikt als aromatische (= krachtig geurende) toevoeging bij de bereiding van vis, vlees, gevogelte of wild.

Monteren Het opwerken van een vloeistof door er in kleine blokjes gesneden koude boter door te kloppen.

Napperen Gelijkmatig bedekken met een laagje saus, coulis of crème.

Ontvetten Het afscheppen van de vetlaag van bouillons of braadjus.

Paneren Het met broodkruim of paneermeel bedekken van voedsel om het tijdens het braden of bakken een mooi bruin korstje te geven.

Pocheren Het bereiden van voedsel in een vloeistof waarvan de temperatuur vlak onder het kookpunt wordt gehouden.

Pureren Het fijnmaken van rauw of gekookt voedsel met behulp van een foodprocessor, blender, staafmixer, roerzeef of pureeknijper.

Quenellen (Quenelles)Balletjes of rolletjes enz. van vulling.

Ragout Gestoofd vleesgerecht, vaak op basis van rode wijn gebonden met vleessaus.

Reduceren Zie Inkoken .

Rijsmiddel Een product dat aan het deeg of beslag wordt toegevoegd om het gebak luchtiger te maken. Veelgebruikte rijsmiddelen zijn gist en bakpoeder.

Rijzen Dit woord heeft twee betekenissen: (1) het uitzetten van deeg of gebak door het toevoegen van een rijsmiddel of (2) het in volume toenemen van gerechten (bijvoorbeeld soufflés) waaraan stijfgeklopt eiwit is toegevoegd.

Roerbakken Een van oorsprong Chinese bereidingswijze waarbij in kleine stukjes gesneden voedsel tijdens het bakken voortdurend worden omgeschept om het sneller te laten garen.

Roosteren Het bereiden van voedsel op een rooster boven gloeiende houtskool.

Roux Een mengsel van gesmolten boter en bloem dat wordt gebruikt voor het binden van soepen en sauzen.

Sabayon Oorspronkelijk een Italiaans dessert (zabaglione) gemaakt van wijn, suiker en eidooiers, maar de naam wordt ook gebuikt voor een luchtige mousselinesaus op basis van Champagne die bij vis of schaaldieren wordt gegeven.

Slinken Het verminderen van het volume van bladgroenten door de groente te verhitten in een kleine hoeveelheid boter (of een andere vetstof) of door onderdompeling in kokend water.

Smoren Het bereiden van voedsel in een gesloten pan (dus met deksel) in boter of een andere vetstof, in de eigen sappen of onder toevoeging van een kleine hoeveelheid vloeistof.

Spatelen Het luchtig door elkaar scheppen van twee of meer mengsels met behulp van een spatel.

Stomen Het bereiden van voedsel boven een kokende vloeistof. Hierbij kan je gebruikmaken van een stoompan met geperforeerd inzetstuk (= een inzetstuk met gaatjes), een speciaal stoommandje of stoombloem of van een roestvrijstalen zeef of vergiet.

Stoven Het bereiden van voedsel in een gesloten pan (dus met deksel) in boter of een andere vetstof en onder toevoeging van een vrij grote hoeveelheid vloeistof.

Stropen Het verwijderen van het vel van hele vissen of visfilets.

Sudderen Het in braadjus of stoofvocht zachtjes laten pruttelen van voedsel met een lange bereidingstijd.

Suikerstroop Mengsel van suiker en water dat wordt verhit tot de suiker is gesmolten. Hoeveel water of suiker je nodig hebt, is afhankelijk van wat je er daarna mee wilt gaan doen.

Terrine Een aardewerken  kom met rechte wanden die je kunt afsluiten met een deksel dat goed past. De term wordt ook gebruikt om het gerecht dat in deze kom bereid wordt aan te duiden.

Tourneren Het in gelijkvormige, meestal ovale, stukken snijden van groenten (bijvoorbeeld aardappelen, komkommer, courgette, worteltjes of meiknolletjes). Tourneren wordt gedaan om het gerecht een speelser effect te geven én om ervoor te zorgen dat alles zoveel mogelijk gelijktijdig gaar wordt.

Trancheren Het in plakken of gelijkvormige stukken snijden van gebraden vlees of gevogelte.

Trekken Het in een vloeistof langdurig op een laag vuur verhitten van voedsel en/of kruiden, zodat de vloeistof de smaak van de toegevoegde bestanddelen opneemt.

Tremperen Letterlijk betekent dit ‘natmaken’. Het royaal besprenkelen of neerleggen van gebak in een suikerstroop (of een andere, al of niet alcoholische vloeistof) om het gebak sappiger te maken en/of de smaak te verhogen.

Vetvrij papier Papier dat geen vet opneemt en dat wordt gebruikt op een bakplaat zodat de gerechten niet kleven.

Vinaigrette Koude saus op basis van 3/4 olie (gewone olie, olijfolie, notenolie…) en 1/4 zuur (azijn, wijnazijn, ciderazijn, balsamicoazijn…) en eventueel toevoeging van andere kruiden en smaakmakers

Visfumet Een door het inkoken dikker geworden (= geconcentreerde) visbouillon die o.a. wordt gebruikt als basis voor sauzen.

Weken Het in koud water leggen van bepaalde ingrediënten – bijvoorbeeld gedroogde peulvruchten of gelatineblaadjes – om ze zacht te maken.

Wellen Dit woord heeft twee betekenissen: (1) het in koud of lauwwarm water leggen van gedroogde ingrediënten – bijvoorbeeld paddestoelen, rozijnen of zuidvruchten – zodat ze vocht opnemen en zacht worden en (2) het opzetten van voedsel – bijvoorbeeld rookworst en verse worst – in koud water en dit samen verhitten tot vlak onder het kookpunt.

Zeste De buitenste gekleurde schil van een citrusvrucht die verwijderd wordt met een rasp of een speciaal mesje. Wordt gebruikt om gerechte te parfumeren of soms als garnituur van een saus.

Zweten Het op een laag vuur in boter of een andere vetstof verhitten van fijngesneden uien of groenten, zodat ze zacht worden zonder bruin te kleuren.

Soep

Niets is zo gezond als een lekkere natuurlijke soep. Het hoofdingrediënt is water, de onmisbare bouillon (mogen blokjes zijn), groenten en natuurlijk een beetje vetstof. Vetstof is immers een smaakdrager. Ik zeg je niet dat veel vet gezond is maar het is ook niet ongezond om er een beetje van te gebruiken.

 

De gezondste vetstof voor de keuken is olijfolie maar de lekkerste vetstoffen zijn roomboter en zure room. Ik zou dus voor dagelijks gebruik de gezondste en voor een lekker diner in het weekend of als je vrienden op bezoek krijgt de roomboter of room nemen.

 

Omdat ik mijn gerechten zo lekker mogelijk wil maken zal ik op deze website alleen maar spreken over het gebruik van de lekkerste vetstof.

 

 

Wil je een lekkere verfijnde soep dan zou ik nooit meer dan twee tot maximum vier verschillende groenten samen gebruiken. Onze smaakpapillen moeten immers nog een beetje smaak kunnen identificeren en dat gaat moeilijk als je een mengelmoes van ingrediënten gaat gebruiken. Sommige groenten lenen zich zelfs niet om samen met andere groenten te worden gebruikt.

 

Nemen we bijvoorbeeld asperges.

 

Wist je dat je heel lekkere aspergesoep kunt koken met de schillen van asperges?

 

Voorgerecht

Een voorgerecht moet mooi, lekker, maar vooral ook licht veteerbaar. Het is eigenlijk een gerechtje dat wordt gegeten terwijl de kok de voorbereidingen maakt om het hoofdgerecht zo vers mogelijk op te dienen. Vele voorgerechten zijn dan ook de eenvoud zelf. Vaak worden voorgerechten te zwaar of te overvloedig gemaakt. Dat is natuurlijk een grote fout. Een voorgerecht hoeft zeker niet hongerstillend te zijn. Het goed voorgerecht moet je wel doen watertanden naar meer.